Kachelzaak OverijsselKachelzaak GelderlandKachelzaak FlevolandKachelsjop HasseltKachelzaak FrieslandKachelzaak Groningen Kachelzaak Drenthe

 

 

 

Alles wat u moet weten over houtkachels!

De open haarden, houtkachels en houthaarden zijn tegenwoordig weer zeer in trek. De tijd is voorbij dat het open vuur of een houtkachel alleen maar gebruikt werd in kastelen, landhuizen en boerderijen. Ook in de ‘rijtjeshuizen’ en in flatwoningen heeft de open haard of houtkachel haard zijn intrede gedaan, waarbij dan gewoonlijk wel gebruikt wordt gemaakt van geprefabriceerde modellen. Vooral nu de centrale verwarming steeds meer als een onmisbare voorziening wordt beschouwd en dikwijls al bij de nieuwbouw wordt aangebracht in de vorm van wijkverwarming, wil men naast de radiator, die al een dood ding in het vertrek staat toch wel een centrum hebben: een vuurhaard in de kamer. Niets voor niets hebben vele mensen de kolenhaard in ere gehouden, zelfs naast de c.v., alleen al voor de gezelligheid. Maar vooral dank zij de opkomst van de centrale verwarming en door een groter wordende hang naar romantiek is er een nieuwe grote kans voor de open haard , houtkachel of houthaard gekomen. Het gaat er nu niet zo zeer meer om dat het nuttig effect van een open haard niet zo kolossaal is en dat men bij een open haard ‘van voren verbrandt en van achteren bevriest’. Is dat toch het probleem dan is er volop keuze en vindt u altijd de houthaard van uw dromen.

Houtkachel keuze

Er is behoefte aan een middelpunt in de kamer, aan een behaaglijk centrum, aan gezelligheid. En sfeer brengt de open haard, houtkachel en houthaard van uw keuze ongetwijfeld.

De grootste concurrent van de open haard of houtkachel is zeker niet de centrale verwarming; veel eerder de televisie, omdat zij beide kijktrekkers zijn. Velen willen wel een open vuur als aantrekkelijk middelpunt, als decoratief element.

Maar als men eenmaal besloten heeft een openhaard te bouwen of houtkachel te plaatsen dan komen dikwijls de teleurstellingen. Dan komt plotseling het technische probleem om de hoek kijken: het rookkanaal. In Nederland wordt bij de bouw vaak nog geen rekening gehouden met de mogelijkheid, dat men naast een c.v. een open haard zou willen hebben. Nog sterker: in sommige nieuwe wijken worden zelfs woningen gebouwd zonder rookkanalen.

Deskundig advies omtrent bouw van een rookkanaal

En ondanks deze problemen worden er jaarlijks alleen in ons land bij nieuwbouw en verbouwing meer dan 30.000 open haarden gemaakt, nog afgezien van de moderne voorzethaarden. De laatste zijn dikwijls een oplossing voor huurwoningen.

Men heeft in grote lijnen twee soorten: de open haard, die ook werkelijk meespeelt als meubelstuk in het vertrek, of de open haard, die men als het ware alleen maar ziet wanneer hij brandt. Beide met hun zichtbaar vuur, als behaaglijk centrum, als romantisch middelpunt en met hun kijkspelachtig voordeel. De open haard speelt niet alleen in de wintermaanden als bijverwarming een rol, maar hij geeft alleen al voldoende warmte op lenteavonden en in het begin van de herfst, en in de zomer kan men er, naar engels voorbeeld, nog bloemen of planten in zetten waarvoor de Engelsman zelfs een speciaal haardtafeltje heeft. Het open, zichtbare vuur in de kamer heeft weer een nieuwe kans gekregen als bron van gezelligheid, als trekpleister en als een rustpunt in een jachtige tijd.

Stoken op gas is bijzonder populair in Nederland en Vlaanderen. Maar brandstofprijzen stijgen en er duiken alarmerende berichten op over slinkende gasvoorraden. Steeds meer mensen gaan op zoek naar alternatieven voor fossiele brandstoffen. Biomassa, zoals hout, is er een van. De houtkachel en houthaard mag zich dan ook in een vernieuwde belangstelling verheugen. Over stoken met hout – terug van eigenlijk nooit weggeweest.

Meer hierover leest u op de site kachelbespaart.nl

Hoewel haardhout gewoon te koop is, zijn er heel wat mensen die zelf het sprokkelen en hakken ter hand nemen. Voor hen is het onderdeel van de romantiek die aan het stoken op hout verbonden is. Heerlijk in de frisse buitenlucht wat stammetjes klieven op de vrije zaterdag. En dan ’s avonds met een goed glas wijn bij de haard genieten van het knisperende vuur. Wat is er mooier dan dat? En sinds we onze houtkachel hebben, is aan het eind van de maand ook de gasrekening minder hoog.

Stoken op hout mag dan goedkoper zijn dan stoken op gas, wel zijn de houtprijzen enorm gestegen de laatste jaren. De Vereniging van Nederlandse Houtondernemingen noemt de prijsstijging ‘explosief'. De hogere kosten zijn deels te verklaren door een toenemende vraag in opkomende economieën als Brazilië en China – niet alleen in westerse landen gaat het economisch goed. Landen die hout eerst vooral exporteerden, gebruiken het nu meer en meer zelf. Daar komt bij dat er minder illegale kap is en houtproducerende landen in toenemende mate hun bossen duurzaam beheren. Het heeft allemaal invloed op het aanbod van hout, en dus op de prijs. Met hout uit eigen tuin bent u natuurlijk het goedkoopste uit. Maar ook als u haardhout koopt, is het een relatief voordelige energiebron.

Open haard hout kopen ?

Het milieu heeft weinig te lijden van het stoken met hout. Door het gebruik van fossiele brandstoffen, zoals aardgas, olie en kolen, neemt de opwarming van de aarde toe. De keuze voor hout daarentegen, past prima bij het streven naar minder broeikaseffect. Hout stoken is CO2 - en dus klimaatneutraal. De uitstoot van CO2 is bij verbranding niet hoger dan wanneer het hout in de natuur zou vergaan; het is een gesloten CO2 -kringloop. Bovendien is hout een duurzame, ecologisch hernieuwbare grondstof: het raakt niet uitgeput. Veel houtproducenten planten meer bomen aan dan dat ze weghalen. Met het oog op het milieu wijst de overheid nog op het belang van een kachel met de juiste capaciteit. Hoe hoger het rendement, hoe meer warmte het toestel levert, hoe lager de milieubelasting.

Historische schets openhaard, vuurplaats.

Het vuur heeft vanaf het begin bij alle volken een grote rol gespeeld, in het dagelijks gebruik, in de cultuur en de ritus. Toen mensen nog in holen en hutten woonden hadden ze al een diepte in de vloer, waar op stenen of op de grond een vuurhaard werd gemaakt. De rook kon dan door een gat in het dak verdwijnen.

Pas veel later kwamen de met leem besmeerde schoorstenen in gebruik en geleidelijk aan kreeg de mens een ander vuurcentrum in huis: in het begin van de negende eeuw was dat nog een eenvoudige nis in een dikke muur. De rook moest toen voortaan door een gat in de muur naar buiten. Langzaam maar zeker groeide de ‘schoorsteen’ uit; er kwamen muurtjes bij met consoles, die in de Romaanse tijd met wapens en emblemen werden versierd. Maar vooral in de gotiek en de renaissance kwamen er monumentale open haarden, terwijl er ook later, in de barok en de rococo, werkelijk pronkstukken werden gebouwd. Tot in de middeleeuwen zijn de haardkuil en de verhoogde tafelachtige haard, oorspronkelijk meer een offerhaard en later de kookplaats, in gebruik gebleven.

De schouw kwam er pas in de twaalfde eeuw. Zij kwam op twee zware schoor-, schraag of draagstenen te rusten. Daarvan werd dan ook de naam schoorsteen afgeleid.

In de veertiende eeuw waren er op sommige plaatsen zelfs speciale huizen, waar men zich voor weinig geld kon warmen, de zogenaamde stoven of algemene haarden, inrichtingen, apart voor mannen en voor vrouwen, die bij sommige gasthuizen werden gesticht en waar vooral de reizigers en armen zich rondom de open haard schaarden. ‘de stoof – zo luidt een oude beschrijving –was dikwijls alleen voor armen bestemd. Gedurende de winter werd er bij dag en nacht goed vuur onderhouden opdat de verkleumde arme, die hier binnen mag komen, niet tevergeefs naar weldadige warmte behoeft om te zien.’

De kachel had intussen ook haar intrede in de woning gedaan, maar nog in de 18e eeuw wordt daarvan gezegd: ‘kaggels houde ik zeer naadelig omdat de kinderen dan altoos in eene onzuivere en vogtige lugt woonen, welke niet gemakkelijk ververscht kan worden.’ Daarom – zo zegt de schrijver uit die tijd – is die met ijzer van binnen en met steen van boven. Toch kende men de ‘kacheloven’ al enkele eeuwen, ook in ons land. In 1496 kocht het H. geestgasthuis in Deventer ’t we kachelover’ die ‘ in de stove’ kwamen te staan’, en in 1556 kreeg het kasteel boetselaersborg in ’s-Heerenberg een nieuwe stookgelegenheid, die bestond uit een ijzeren kacheloven met een bovenstuk van tegels.

In de zestiende eeuw vestigden zich in ons land ‘chachelmaickers’ uit Duitsland, die met eigen pottenbakkersovens werkten. Vanaf die tijd kwamen de ijzeren kachels ook meer in gebruik, al bleven de oude types nog in zwang, zoals die, welke opgebouwd werden uit’163 cachelsteenen’, zoals in 1642 in de latijnse school in Den Haag.

De open haard heeft lange tijd tegen gehad, dat hij te veel rook ontwikkelde. Men kende de wetten over warmte en opstijgende gassen ook nog niet ook nog niet. Vandaar dat men de open haard dieper inbouwde, waardoor echter weer veel warmte verloren ging.

In 1594 ontwierp de Engelsman sir Hugh Platt de eerste kleinere haard. De achterkant daarvan maakt hij van een warmtereflecterend materiaal. Baksteen vormde toen nog het hoofdbestanddeel. Sir John winter bracht in 1658 echter de ijzeren open haard naar voren en twintig jaar later introduceerde Prince Ruperts een open haard, die veel ondieper was.

Het zou tot 1709 duren voordat de fransen Savot en Gauger in dit verband een ontdekking deden wat de warmtecirculatie in de haard betrof. Gauger ontwierp zeven types, zelfs met roosters. De beroemde ‘Cheminee de Nancy’ uit 1738 had weer een nieuw voordeel in de vorm van een metalen kap boven de haard, waardoor de rookgassen beter afgevoerd konden worden, terwijl bovendien de kap zelf nog warmte afgaf. In diezelfde tijd kwam Benjamin Franklin in de vs met zijn pennysalvanian fireplace’ : een ijzeren haard, waarin zich ook een opwarmkamer bevond voor aangezogen lucht. Dit type is in deze tijd weer overal verkrijgbaar. Franklin pleitte als eerste voor de bouw van schoolstenen aan binnenmuren.

In Engeland had men intussen weer ontdekt, dat de vuurplaatsen bijna altijd te hoog lagen. Het was ook een Engelsman, prof. Benjamin Thompston, graaf van Rumford, die met een nieuw systeem voor den dag kwam. Hij zag verband tussen de grootte van de stookplaats en de doorsnede van het schoorsteenkanaal. De graaf maakte echter een fout: hij ging uit van de veronderstelling, dat de rookgassen voor langs het rookkanaal omhoog gingen.

Open vuur en geloof

Bij de oude Indo-germanen was de vlam de god Agni, die door het wrijven van twee stukken hout op elkaar op aarde was geroepen. Men ontving de vlam met eerbied en laafde hem met boter. De vlam bracht dan de wensen over aan de goden.

Ook bij de Grieken en romeinen vereerde men het vuur in de gedaante van de godheid van de huiselijke haard: Vesta

De haard, het middelpunt van het huisgezin, werd het heiligdom van deze oudste godin voor de mensen, die bij de grieken Hestia heette. Te harer ere werd in het Prytaneaeum een eeuwig vuur brandende gehouden en bij het stichten van nieuwe nederzettingen gaf men iets van dit vuur mee om het weer te ontsteken in de nieuwe stad.

In Rome zorgden zes jonkvrouwen – de Vestaalse maagden – voor het eeuwige vuur. Wanneer het vuur doofde werden zij gegeseld. En dan moet het vuur ontstoken worden door stukken hout tegen elkaar te wrijven of door een brandspiegel in de stralen van de zon te houden. De Vestaalse maagden genoten vele voorrechten en was ook een teken van geluk wanneer men haar tegenkwam. Zo werden de straffen kwijtgescholden aan die misdadigers, die op weg naar de strafplaats een van de Vestaalse maagden ontmoetten.

Maar op haar beurt werden deze vuurvrouwen hard aangepakt als zij schuldig warden bevonden aan een vergrijp tegen de eerbaarheid. Het vuur moest immers zuiver blijven. Ze werden dan in een onderaards hol, waarin een rustbed stond en waarin ook voedsel was neergezet, geworpen.

Vuur maken, het ontstaan van vuur

De meeste volkeren wisten al gauw hoe zij vuur moesten maken. Maar desondanks bleven zij toch voorzichtig, omdat zij altijd een vuur aanhielden.

Wanneer men op reis ging werd een smeulend stuk hout meegenomen om onderweg meteen gereed te zijn. Het was lang de gewoonte om het haardvuur onder de as aan te houden. En eenmaal per jaar, tijdens het midwinterfeest, werd in het huis het vuur vernieuwd.

Voor kerstmis had men dan nog een apart stuk hout, het kerstblok, dat dagen aan een stuk moest blijven branden tijdens de feestdagen. Het kerstblok werd lang van tevoren zorgvuldig uitgezocht en bewaard. De kinderen mochten het dan binnenbrengen. Het kerstblok was in tal van Europese landen bekend; in Engeland werd het met veel vertoon het huis binnengedragen. Iedereen moest er dan om de beurt op gaan zitten en iets drinken.

Men had vroeger ook een zogenaamd achteraanblok. Dat diende als achterwand van het houtvuur. Het was een soort haardplaat van hout, die wel eens met het vuur meegloeide, maar toch eigenlijk slechts zeer langzaam mocht verkolen. Het achteraanblok moest, als het goed was, het hele jaar meekunnen. Vooral in Friesland waren deze achteraanblokken in gebruik. Met kerstmis werd er dan een nieuwe houten haard-‘plaat’ neergezet.

Tot in deze eeuw was het in verschillende plaatsen nog steeds het gebruik om elk jaar opnieuw een vreugdevuur te ontsteken. Eerst moest dan de nieuwe brandstof worden opgehaald; het oude haardvuur werd vervolgens gedoofd. Door wrijving werd nieuw vuur gemaakt, waarmee de brandstapel werd aangestoken; met een brandend stuk hout ging men dan vlug naar z’n eigen huis om de haard weer aan te steken. De oorspronkelijke betekenis hiervan was, dat de zon door het hernieuwde vuur versterkt werd, terwijl er tevens mee bereikt werd, dat de boze geesten werden verdreven.

Pas later ging men vuur maken met behulp van gereedschap: de vuurslag, die om een vuursteen werd geslagen. De vonk werd opgevangen door een tondel en weer bewaard in een tondeldoos. Een tondel was een gebrande linnen lap, die in een doos werd gedaan. Daarmee kon men dan wat later het vuur in de haard aanmaken. Maar uiteindelijk zouden de lucifers het toch winnen.

De eerste ‘vuurstokjes’ werden omstreeks 1805 gemaakt in Parijs en tien jaar later ging derosne deze van fosfor voorzien voor het ontsteken van vuur. Er kwam al een verbetering van het product omstreeks 1830 toen Jones strijklucifers ging maken, die een kop van zwavel kregen, overtrokken met zwavel-antimoon en chloorzure kali. Deze lucifers moesten dan tussen twee met zand bedekte papiertjes worden getrokken.

In dezelfde tijd werden de eerste luciferfabrieken opgericht, maar de vervaardiging van dergelijke vuurstokjes werd zo gevaarlijk geacht dat, de overheid ze in verschillende landen ging verbieden. Eerst nadat omstreeks 1840 de chloorzure kali gedeeltelijk door een mengsel van menie en bruinsteen werd vervangen en uiteindelijk helemaal door loodsuperoxyde kwam de luciferfabricage pas goed op gang. Het was Bottger, die in 1848 met een nieuwe vinding naar voren kwam: er kon rode fosfor op de wrijfvlakken voor fosforvrije lucifers worden gebruikt.

En dan werden dan de zogenaamde veiligheidslucifers. Vooral zweden trad hiermee op de voorgrond, maar als spoedig werd de fabricage ook in andere landen op grote schaal ter hand genomen. Het gebruik steeg al gauw tot ruim 2 miljard stuks per dag. In sommige landen kwam men op het idee om een luciferbelasting in te voeren; men begon zelf met staatsfabrieken. Luciferhoutjes worden hoofdzakelijk gemaakt van populieren-, wilgen-, linde- en essenhout, dat in water wordt gekookt om het minder bros te maken. Het hout wordt geschilderd en gesneden tot de gewenste dikte, gepolijst en soms nog geschaafd. De stokjes krijgen dan een zwavel- of paraffine-bolletje en worden tenslotte automatisch in doosjes verpakt.

Voor 1 miljoen lucifers heeft men ongeveer 8 kilo zwavel nodig. De luciferkoppen bestaan verder uit een bindmiddel. Het gebruik van fosforhoudende koppen werd in 1906 in de meeste landen al officieel verboden. De in licht ontvlambare massa gedoopte bolletjes hoeft men maar op een ruw vlak of op een geprepareerde laag te wrijven om een vlammetje te krijgen. Daarnaast kwamen dan later weer de aanstekers, waarin de vuursteentjes weer een rol gingen spelen.

Vuur spreekt tot de verbeelding. Wie van ons heeft als kind niet eens geprobeerd een fikkie te stoken? Of toch op zijn minst toegekeken hoe een stoer vriendje dat deed. Met een aansteker of een paar lucifers is vuur maken een fluitje van een cent. Vroeger was dat wel anders. Toen moesten de mensen heel wat meer moeite doen om een vuur aan het branden te krijgen.

Wanneer mensen geleerd hebben vuur te maken, is niet precies duidelijk. Vuur is er immers altijd geweest. Op een natuurlijke manier ontstond het door bijvoorbeeld blikseminslagen en vulkaanuitbarstingen. Vuur is altijd bijzonder belangrijk geweest voor de menselijke ontwikkeling. Het zorgde voor warmte en licht, je kon ermee koken en allerhande materialen mee bewerken. Al snel ontdekten mensen dat het handig was dit vuur mee te nemen naar andere plaatsen. Vuur was een uitstekend ‘wapen' bij de jacht: brand een stuk land plat en het wild vlucht ... recht in de handen van de jagers. Ook brandden stammen bos plat voor het bouwen van nederzettingen en het verkrijgen van vruchtbare landbouwgrond.

Als je zelf geen vuur kunt maken, is het erg onhandig als het vuur dooft. En dus doken er al snel ‘vuurbewaarders' op. Hun taak was het om het vuur altijd brandend te houden. Wanneer een stam naar andere streken trok, bijvoorbeeld omdat daar meer voedsel voorhanden was, namen zij het vuur mee. Dit gebeurde met behulp van een stok of gloeiende kool. Ze werden ware vuurspecialisten. Zelfs over grote afstanden wisten ze vuur te vervoeren zonder dat het doofde. Wanneer dit onverhoopt toch eens gebeurde, was er natuurlijk een probleem. Wat dan? Je kon iemand zoeken die zijn vuur wilde delen - of het stelen van anderen. Niet gek dus dat mensen op zoek gingen naar manieren om zelf vuur te ‘maken'.

Archeologen schatten dat het zo'n 500.000 jaar geleden is dat de mens zelf de kunst van het vuur maken leerde. Haarden komen we pas bij de Neanderthalers tegen (150.000-300.000 jaar geleden). De eerste reproduceerbare manieren om vuur te maken, waren gebaseerd op frictie. Mensen ontdekten dat als je maar snel en lang genoeg wrijft, zoveel warmte ontstaat dat je er licht ontvlambare materialen mee kunt aansteken. In de prehistorie kenden ze twee manieren: droog hout wrijven en stenen tegen elkaar slaan.

Wanneer je twee stukken hout langs elkaar wrijft, komt er veel hitte vrij en ontstaat een soort houtpoeder. Door te blazen gaat de smeulende massa gloeien. Als je zorgt dat er tondel onder ligt, gaat ook die gloeien. Tondel is een licht ontvlambaar materiaal, bijvoorbeeld lisdoddenpluis, de hoed van de tondelzwam, of niet geheel verkoold linnen of katoen. Op deze manier maakten mensen in de prehistorie hun eerste vuren.

Een andere manier van prehistorisch vuur maken, is het vuur slaan met behulp van stenen. Daarvoor is een aambeeld nodig, een tondel en een vuurslag. Dit laatste is een stuk staal waarmee je vonken uit een vuursteen slaat. Er zijn twee manieren: de slagijzermethode en de zwavelkiesmethode. Bij de slagijzermethode schamp je met een vuurslag over een steen. De vonken die daarbij ontstaan zorgen, in combinatie met de tondel, voor vuur. Bij de zwavelkiesmethode sla je geen vonken, maar maak je gebruik van wrijving. De deeltjes die van de steen loslaten, verbranden meteen door het hoge ijzer- en zwavelgehalte.

Zin gekregen om zelf vuur te maken? Zorg dan voor een dosis geduld, regel een vuursteen of haardblok en ga op zoek naar de tondelzwam. Deze laatste vraagt wel om een speciale behandeling. In laagjes gesneden en goed gedroogd, week je die voor gebruik het beste in paardenurine. Iets te omslachtig? Kies dan gewoon voor een kachel of haard. Lucifer erbij, knop omdraaien en ... heerlijk genieten bij een behaaglijk vuur.

Meer over het ontstaan van vuur en live demonstraties ambachten ?

De Vereniging Haard en Rookkanaal constateert de laatste tijd een stijging van de interesse in houtkachels. "Mensen komen erachter dat stoken met hout slim is. Het bespaart op de gasrekening. Ze rekenen zelf uit wat de energieopbrengst uit hout is.

De openhaard als centrum van de woning

De haard is altijd het architectonische en sociale centrum van de woning geweest.

De meest oorspronkelijke blokhutten heten dan ook in Noorwegen nog aarestue haardhuizen, en in zweden rookbuizen. De architectuur van het scandinavische boerenhuis wordt beheerst door een centrale haard waaruit de rook en walm een uitweg zochten door de ljore of lyre en later door een primitieve schoorsteen, welke met een houten klep tegen sneeuw en windval kon worden afgesloten.

In heel Noord-Europa concentreert zich aan de haard het maatschappelijk en geestelijk bestaan van de bewoners. Daar trof men ook de zetel aan van de boerin, die aan de haard, bij afwezigheid van de man, feitelijk het gehele bedrijf overzag en kon besturen. Dat is nog algemeen zeer duidelijk te zien aan de haard van het achterhoekse los hoes. De brouwe als hoedster van het haardvuur, kon daarbij in de zwarteberookte roodkoperen smodde de koffie zetten en in de groete ijzeren pot de aardappels en het varkensvoer koken. Tegelijkertijd kon ze het spinnewieltje laten snorren en met een blik controleren, of de spreekwoordelijk luie wever in zijn half-duistere kamertje onder de hilde zijn dagtaak naar behoren volbracht in het voordurend heen en weer laten schieten van zijn spoeltjes door het getouw. Al de huiselijke bezigheden van de meid in het open washok kon zij volgen en over de deel zag zij door de wijd los staande nien- of baanderdeur, of de knechten op het erf hun plicht deden en verder op de akkers, of de werkzaamheden van het ploegen, eggen, zaaien, wieden of oogsten hun normale dagelijkse voortgang hadden. Was de boer naar de markt, dan wist hij zijn hoeve veilig in de hoede van de boerin door de in lood gevatte ruitjes van het achteroet bij de haard zag ze in kruidhof en wat verder in de iemenschoer, het spieker en het bakhoes.